
Data jagen voor grip op beleid
Interview met Aron Duindam, provincie Zuid-Holland
De ontwikkeling van een plan-milieueffectrapportage (MER) voor de vaststelling van het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland, zorgde ervoor dat de provincie haar datahuishouding op orde bracht. Aron Duindam, programmamanager Omgevingsbeleid, vertelt over de aanpak. “Ik gun elke organisatie zijn eigen plan-MER-moment.”
“Er zijn vijftig onderwerpen waar wij ons als provincie tegenaan bemoeien. Allemaal in de fysieke leefomgeving. Van waterkwaliteit tot woningbouw. Om te weten of ons beleid bijdraagt aan onze doelen, hebben we data nodig. Wordt de waterkwaliteit inderdaad beter en worden woningen gebouwd voor de juiste doelgroep?” Data zijn de harde randvoorwaarde voor goed beleid, zegt Duindam. En daar was werk aan de winkel, merkte de provincie toen de Omgevingswet werd ingevoerd.
Data bleek niet op orde
Met de invoering van de Omgevingswet ging de provincie in 2019 aan de slag met een plan-MER (Milieueffectrapportage) voor het vaststellen van het Omgevingsbeleid, dat voor Gedeputeerde Staten (GS) en Provinciale Staten dé basis is om beleid te maken. Het plan-MER uit 2019 was een keerpunt, vertelt Duindam: “De Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) bedankte ons voor het plan, maar wees ons erop dat het voor hen onduidelijk was hoe en op basis van welke data het plan tot stand was gekomen. Toen kwamen we erachter dat onze datahuishouding niet op orde was. Dat konden we niet op korte termijn in orde maken. Uiteindelijk keurde GS het plan-MER goed, onder voorwaarde dat voor alle toekomstige plan-MER’s de data eronder wel op orde zijn.”
Databeleidscyclus als instrument
Die toezegging was het startpunt om de informatie- en datahuishouding van de provincie aan te pakken. De databeleidscyclus bleek daarbij een handig instrument, zegt Duindam: “Hiermee brachten we in kaart in welke beleidsfase welke informatie nodig is, en wat de kwaliteit van de data moet zijn. Op basis daarvan kun je de eisen formuleren waaraan data en de hele infrastructuur erachter moet voldoen.”
Beeld: © Aron Duindam / Aron Duindam
De data die de provincie had, bleek merendeels onbruikbaar. “Er waren veel data, maar ze waren niet onderhouden, niet actueel, of niet machineleesbaar. Bijna elke dataset die we aanraakten, viel uit elkaar.” Dat speelt in veel organisaties, weet Duindam: “Vaak denkt men dat de datahuishouding op orde is, totdat je echt gaat kijken wat je hebt. Bij ons was dat net zo: op papier was er van alles goed geregeld, maar het werd niet uitgevoerd. Dat de Commissie mer zo’n keihard advies gaf, was echt een wake-up call voor onze organisatie en de politiek. Daarmee kwamen de middelen vrij om dit goed aan te pakken.”
Data jagen
De provincie startte met het neerzetten van een goede data-infrastructuur: een centraal datawarehouse. Met de beleidsafdelingen werd overlegd welke indicatoren zij gebruiken om te meten of beleid effect heeft, en welke data ze daarvoor nodig hebben. “Geen hobbydata, zoals ik het noem, geen data voor losse onderzoeken. Maar data die inzicht geven in of de beleidsdoelen worden behaald.” Zoals cijfers over de waterkwaliteit, het aantal kilometers aan fietspaden en de hoeveelheid gebouwde woningen per doelgroep. Vervolgens ging een speciaal hiervoor opgericht team deze data verzamelen. “Data jagen,” noemt Duindam dat: “Zij haalden overal datasets vandaan. Van gemeenten, het CBS, energieleveranciers, het KNMI, noem maar op. Als de datakwaliteit onvoldoende bleek, dan verbeterden we die in onze datastraat.”
Monitor leefomgeving
De datahuishouding op orde brengen, was een langjarig traject: de provincie begon er in 2019 mee en sinds dit jaar is het overzicht compleet. In die zin dat alle beleidsdomeinen zijn voorzien van indicatoren en de bijbehorende data beschikbaar zijn. Dit alles is vertaald in de Monitor Leefomgeving, die inzicht biedt in de staat van de leefomgeving. De monitor is onderverdeeld in elf thema’s en laat zien waar de provincie staat ten opzichte van haar doelen.” Is het werk nu klaar? “Zeker niet, het begint pas! Want nu gaan we uitbouwen, indicatoren en data toevoegen en verbeteren. Het is een verbetercyclus en die gaat nu voor alle thema’s lopen.”
Grootste succes: de basis
Dat de Monitor Leefomgeving nu voor alle thema’s beschikbaar is, is een mijlpaal. Maar het grootste succes noemt Duindam de basis van dit alles: “We hebben een stabiele infrastructuur, één digitale plek waar alle data beschikbaar zijn en nieuwe data op een uniforme manier worden ondergebracht. Dit wordt gebruikt door de hele organisatie, voor alle vijftig beleidsopgaven.” Onder de werkwijze van de provincie ligt een beleidstheorie, die helpt om structuur te brengen in de beleidskeuzes. Iedere beleidsopgave heeft een eigen beleidstheorie. “Dat is het gesprek dat we voeren met de beleidsafdelingen: Wat zijn hun doelen en welke indicatoren horen daarbij? Welke data zijn daarvoor nodig? Je moet wel scherp hebben wat je wilt bereiken, want anders kun je er geen goede data bij vinden.”
Groeien naar datavolwassenheid
Dat de Monitor Leefomgeving nu voor alle beleidsdomeinen in eerste versie is ingevuld, is voor de provincie het moment om hun verhaal te delen, vertelt Duindam. Dat deed hij op de recente IBDS-Stelseldag. De volgende stap is om de monitor steeds verder te vullen en beleid continu te voeden met data. “Ons doel is dat alle afdelingen van de provincie op eigen benen kunnen staan, als het gaat over datagebruik. En dat het belang van data bij iedereen duidelijk is.”
De provincie is kortom aan het groeien naar datavolwassenheid. Daarvoor wil ze de hulpmiddelen van de IBDS gebruiken, zegt Duindam: “Zoals de Beslishulp datavolwassenheid. Ik vind die een heel stuk handzamer dan de grote vragenlijsten van Gartner.”
Hij besluit: “Ons werk is nog lang niet klaar, ik zie genoeg mogelijkheden om verder te verbeteren. Dat zie ik al gebeuren, in de kwaliteit van de beleidsstukken, de besluitvorming en de interactie die we hebben over de data. We zijn echt aan het bouwen met elkaar. Dat maakt mijn werk heel leuk.”